Toon Indexframe Freeware

Evolutie

Tijdens zijn bezoek aan de Galapagos eilanden heeft Charles Darwin (1809-1882) een grote variatie aan vinken en schildpadden aangetroffen. Dat bracht hem op de gedachte dat de huidige soorten zijn voortgekomen uit vroegere soorten door een geleidelijk proces, namelijk natuurlijke selectie. In 1859 publiceerde Darwin zijn ideeën in het boek "The origin of species by means of natural selection".

Wat Darwin echter heeft waargenomen was micro-evolutie: een geleidelijke verandering van bepaalde rassen en soorten binnen bepaalde grenzen: de vinken bleven vinken en de schildpadden bleven schildpadden. Verder reikte zijn waarneming niet.
Dat micro-evolutie bestaat, is een bewezen feit. Maar de theoretische basis daarvan is door Gregor Mendel blootgelegd. Onze erfelijke eigenschappen zitten in onze genen. Door natuurlijke selectie of fokken zullen bepaalde genen dus oververtegenwoordigd worden in de nakomelingen. Maar wat er in feite gebeurt is een verarming van de variatie aan genen: dit noemt men degeneratie. Bij het fokken van honden kunnen we dit waarnemen. Zo zijn er hondenrassen met veel te korte poten. Die korte pootjes zijn in feite een erfelijke afwijking. Rashonden lopen dan ook het gevaar om door inteelt teveel ziekelijke eigenschappen te krijgen en zo verloren te gaan. Een voorbeeld uit de natuur van een gedegenereerd kattensoort is de cheeta. Cheeta's lijken genetisch heel erg op elkaar, wat het gevaar op uitsterven vergroot.
Er is bij micro-evolutie overigens geen sprake van evolutie in de zin, zoals Darwin die bedoeld heeft. Er ontstaan in dat proces namelijk helemaal geen nieuwe genen in de zin van evolutie. Als er al een "nieuw" gen ontstaat door mutatie, dan is dat altijd een verzwakking of een nutteloze verandering van een bestaand gen. Diverse aangeboren ziekten zijn het gevolg van defecte genen.
Darwin trok echter de voorbarige conclusie dat de levensvormen zich voortdurend ontwikkelen naar hogere levensvormen: macro-evolutie. Zo zouden ongewervelde dieren gewervelden hebben voortgebracht, reptielen zouden zijn geëvolueerd naar zoogdieren, enz. Voor deze macro-evolutie is echter geen enkel bewijs.
Zo schreef Darwin zelf in zijn boek "The origin of species by means of natural selection":
Waarom vinden wij niet talrijke tussenvormen in elke geologische periode? Waarom ontbreekt in elke fossielenverzameling het afdoende bewijs dat de tussenvormen langzaam en geleidelijk ontstaan zijn? Dit bewijs vinden wij niet en dat is het voornaamste bezwaar dat men tegen deze theorie kan maken.

Een voorbeeld, Buideldieren worden geacht primitiever te zijn dan placentale zoogdieren, dus dichter bij de reptielen. Er zijn nogal wat verschillen tussen reptielen en buideldieren:

Reptielen Buideldieren
koudbloedig warmbloedig
1 gehoorbeentje 3 gehoorbeentjes
geen buidel voor jongen buidel voor jongen
drinkt geen melk drinkt melk bij moeder

Er zijn geen overgangsvormen bekend tussen reptielen en buideldieren; er is sprake van een missing link. Zo is een geleidelijke overgang van niet-melkdrinkend naar melk-drinkend al niet voor te stellen. Een overgang reptiel-buideldier is echter al helemaal niet voor te stellen, omdat een buideldier, met haar piepkleine jong(en), niets heeft aan een te kleine buidel.

Er zijn ook aanzienlijk veel verschillen tussen reptielen en vogels:

Reptielen Vogels
koudbloedig warmbloedig
schubben veren
bovenkaak vast aan schedel bovenkaak apart beweegbaar
ei met leerachtige schaal ei met brosse schaal
zware botten lichte botten
longen met tweerichtingsverkeer longen met éénrichtingsverkeer

Vroeger vermoedde men dat de archaeopteryx een missing ink vormde tussen reptiel en vogel. Tegenwoordig wordt dit dier als een uitgestorven vogel beschouwd.

In 1999 stond in National Geographic een artikel, waarin werd beweerd dat een missing link tussen dinosauriërs en vogels was gevonden. Het fossiel was in China ontdekt en werd een archaeoraptor genoemd. Al snel werd duidelijk dat het een Chinese vervalsing betrof en dat dit zelfs al aan National Geographic was bericht vóór de publicatie. Het skelet was samengesteld van beenderen van diverse soorten dieren. Dat louche handelaren $80.000,- verdienden aan een nep fossiel was één ding. Maar dat een bekend tijdschrift als National Geographic dit dubieuze fossiel omschreef als missing link was nog kwalijker. Later ging National Geographic alsnog door het stof en gaf een rectificatie.


De leefomgeving van dinosaurussen
wordt vaak verkeerd afgebeeld.

Wat musea u niet vertellen is dat bij vindplaatsen van skeletten van dinosauriërs ook fossielen zijn gevonden van hedendaagse vogels, zoals papegaaien, uilen, pinguïns, albatros, aalscholvers, kluut, strandlopers, flamingo's enz. Dit duidt niet op afstamming van vogels uit dinosauriërs.
Overigens zijn bij opgravingen van dinosauriërs ook fossielen gevonden van salamanders, hagedissen, rivierkreeft, kreeft, eendagsvliegen en en van zoogdieren, zoals opossums, egels, miereneters, buideldieren, hoefdieren, roofdieren zoals de Repenomamus robustus, en vele anderen. Fossielen van de moderne bomen, zoals walnoot en palm, zijn ook gevonden bij die van de dinosaurussen. Hierover is in 2012 een persbericht verschenen.

Er is nog een argument dat vogels niet afstammen van dinosauriërs. Een argument leek dat de voorpoot van een dinosaurus 3 "vingers" bevatte, evenals de vleugel van een vogel nu heeft. Nader onderzoek van die 3 vingers heeft echter aangetoond dat evolutie van dinosaurus naar vogel niet heeft plaats gevonden. De voorpoot van een dinosaurus heeft alleen nog maar de vingers, die overeenkomen met onze duim, wijsvinger en middelvinger, terwijl uit embryonaal onderzoek bij de vogel is geconstateerd dat de vlerk alleen nog maar bestaat uit wijs-, middel- en ringvinger, zie de tekening.

Levende fossielen. Met fossielen van hedendaagse dieren is ook op een andere manier gerommeld. Die fossielen hebben in sommige musea een andere naam gekregen. Zo denkt de bezoeker van een museum bepaald fossiel van een uitgestorven dier te zien, terwijl het gaat om een restant van een nu nog levend organisme gaat. Dit roept vragen op hoe namen aan soorten worden toegekend door wetenschappers. Voorbeelden:

Huidige naam Naam fossiel Bijzonderheid
Fungia fungites Cyclolites undalata
Alligator mississipiensis Albertochampsa langstoni Science Museum of Minnesota
Latimeria chalumnae Coelancanthus pencillatus Standaardvoorbeeld levend fossiel
Nautilus pompilius Cenoceras lineatus

De missing link tussen apen en mensen was zo frusterend voor aanhangers van de evolutietheorie, dat een aantal "wetenschappers" heeft geprobeerd dit gat aan fossielen op te vullen met vervalsingen. De meest bekende hiervan is het Piltdown fossiel, welke in 1912 in elkaar werd gefrabriceerd. Na de Tweede Wereldoorlog werd echter ontdekt dat het hier ging om een schedel van een mens met een kaak van een aap. Een andere aapmens, die werd gefantaseerd was de Nebraska-mens (Hesperopithecus), "ontdekt" door de Amerikaanse paleontoloog Dr. H.F. Osborn. Het enige fossiel, wat hij had opgegraven was echter een tand. De wens was echter de vader van de gedachte, maar helaas voor hem: later bleek het om een tand van een wild zwijn te gaan. Voor meer vervalsingen zie Echt Nieuws Netwerk.
Andersom kan het ook. Mensenrassen kunnen onterecht als aapmensen worden beschouwd. Zo werd lange tijd verondersteld dat de Neanderthaler een aapmens was. Inmiddels is men tot de slotsom gekomen dat we hier met een zuiver mensenras te maken hebben, net zoals bijvoorbeeld pygmeeën dat zijn.

Mensen verschillen van chimpansees aanzienlijk meer dan algemeen wordt aangenomen. In de vorige eeuw werd aangenomen dat het genetisch verschil tussen de mens en de chimpansee slechts 1 à 2 % bedraagt. Onderzoeken hebben deze eeuw aangetoond dat het verschil aanmerkelijk groter is. Reeds in 2002 kwam Roy J. Britten uit op een verschil van minstens 5 % (Divergence between samples of chimpanzee and human DNA sequences is 5%, counting indels., HTML, PDF). In 2006 kwam Jon Cohen tot een verschil van 6,4 % (Relative Differences: The Myth of 1% , PDF). Een nadere studie van allerlei onderzoeksresultaten van deze eeuw geeft aan dat het verschil minstens 13 % is, als je de daarin weggelaten gegevens meeneemt (Genomic monkey business—estimates of nearly identical human–chimp DNA similarity re-evaluated using omitted data., HTML).

Bioloog Prof. Dr. Bruinsma merkte over missing links op:
De meest befaamde huidige paleontoloog, dr. Stephen Gould van de Havard University, die dit probleem 'the trade secret of paleontology' noemt, stelt als oplossing voor dat zulke tussenvormen slechts heel kort in een klein deel van de populatie zouden zijn voortgekomen en dus niet gevonden kunnen worden. Vanuit dit standpunt zou het weliswaar logisch zijn om het zoeken naar missing links op te geven, maar dat zou onwetenschappelijk zijn. Het is wetenschap bedrijven zonder bewijsmateriaal te verzamelen. Daarmee verliest een wetenschappelijke theorie zijn status en wordt ze een dogma, een geloofsartikel. Het alternatief is het aanvaarden dat die tussenvormen er nooit zijn geweest (Christendom Onwijs - Uitgeverij Kok Voorhoeve - Kampen, 1996).


Bijzondere dieren met voor de evolutie onverklaarbare eigenschappen:

De groene specht heeft een heel aparte tong. De tong heeft stekels of lijm aan haar eindpunt, waarmee zij kronkels kan maken om mieren te vangen die door hun tunnels wriemelen. De tong is vastgehecht in het rechter neusgat en splitst daarna in tweeën, en gaat onderhuids over de schedel heen naar beide zijden van de nek. Daarna komen de twee delen terug bijeen in de kaak en zo in de bek. Dit is niet te verklaren met evolutie. Voor meer informatie, zie woodpeckers


De monarch vlinder is een heel bijzondere trekvlinder. Hij overwintert in en rond het dorp El Rosario in Mexico. Daar hangen deze vlinders in grote aantallen aan de takken van de bomen. Soms zijn het er zo veel dat takken bezwijken onder het gewicht.
In de maand maart begint de vlucht naar het noorden. De reizende vlinder leeft hooguit 6 weken, maar elke nieuwe generatie zet de reis naar het noorden voort. Uiteindelijk komen de monarch vlinders terecht in grote delen van de Verenigde Staten, en soms zelfs in Cananda.
In de herfst begint dan de vierde generatie met zijn trek naar El Rosario of omstreken. Dat kan gaan over een afstand van meer dan 3000 km. Hun instinct brengt de achterkleinkinderen weer terug naar de streek, die zij zelf nooit hebben gezien. Niemand weet hoe ze dat doen.


De bombardeerkever is een wonderbaarlijk dier. Hij beschikt over een heel bijzondere vorm van verdediging. Hij heeft achteraan twee klieren. De ene klier bevat een samenstelling van waterstofperoxide en twee hydrochinon-verbindingen, de andere klier bevat twee enzymen: katalase en peroxidase. De twee klieren worden gescheiden door kleppen. Via deze kleppen kunnen de stoffen samenkomen in een derde ruimte: de reactieruimte.
Als dat gebeurt, dan ontleedt de waterstofperoxide zich in water en zuurstof. Onder invloed van peroxidase reageert de zuurstof vervolgens met de hydrochinon-verbindingen. Hierdoor ontstaat de bijtende stof chinon. Door de aanwezigheid van de enzymen verloopt het proces erg snel en explosief. Als gevolg van dit versnelde proces komt er zoveel energie vrij dat het mengsel bovendien het kookpunt bereikt. En omdat er veel peroxide aanwezig is, komt er ook veel zuurstof vrij. Die levert als gevolg van de verhitting zoveel gasdruk op dat de chinonoplossing naar buiten spuit.
Slow-motionfotografie heeft aan het licht gebracht dat kever in zijn uitstoot 1000 kleinere explosies teweegbrengt. Samen zijn die sterk genoeg om aanvallers af te schrikken, terwijl de kever met zijn poten steeds op de grond blijft staan en zelf geen hinder ondervindt.
Dit was een van de argumenten, die Dr. Jobe Martin er toe bracht om niet meer te geloven in evolutie. Voor meer informatie, zie de film hiernaast.


Organische evolutie. In de vrije natuur komen aminozuren voor. Aminozuren zijn onderdelen van eiwitmoleculen en daarmee ook onderdelen van levende organismen. Evolutionisten veronderstellen dat in de "oersoep" aminozuren zijn ontstaan, vervolgens eiwitten (proteïnen), daarna het voor het leven noodzakelijke DNA (deoxyribonucleic acid, dat is desoxyribonucleïnezuur) en uiteindelijk de eencellige levende wezens.
Een bewijs leek hiervoor het experiment van Stanley Miller en Harold Urey (Miller, Stanley L. "A production of amino acids under possible primitive earth conditions." Science 117.3046 (1953): 528-529). In 1953 deden deze student en zijn begeleider het volgende inmiddels zeer bekend experiment: Zij trachtten in een omgeving de atmosfeer van de vroegere aarde na te bootsen. Vervolgens werd dat gasmengsel verwarmd en blootgesteld aan elektrische ontladingen, die bliksems moesten simuleren.
Het resultaat was dat er wat organische verbindingen en enkele primitieve aminozuren werden gevormd, maar geen RNA of DNA. De aminozuren waren echter zowel rechts- als linksdraaiend, terwijl in eiwitten uitsluitend linksdraaiende aminozuren voorkomen. De meeste stoffen, die werden gevormd tijdens het experiment waren verder niet geschikt als bouwstenen voor het leven. De evolutiomaire overgang van aminozuren naar eiwitten is zodoende al onduidelijk.
Veel later is men er bovendien achter gekomen dat Miller en Urey een totaal verkeerde inschatting hadden gedaan van de atmosfeer van de vermeende jonge aarde. Als men het experiment over zou doen met gassen, waarvan men tegenwoordig denkt dat die aanwezig waren boven de oersoep, dan zouden er heel andere verbindingen worden gevormd, zoals cyanide en formaldehyde. Nu is formaldehyde weliswaar een organische verbinding, maar zeer giftig. Bepaald niet de juiste voedingsbodem voor het ontstaan van het leven. Maar de evolutie op celniveau heeft nog grotere problemen:

Theoretisch bioloog Dr. H. van Waesberghe omschrijft een aantal problemen t.a.v. evolutie van de cel in Intermediair:
Hoe men het ook wendt of keert, ons probleem is niet hoe het eerste biomolecuul ontstond, maar hoe de eerste cel ontstond. Terecht bekritiseren biologen de pure biochemici, die te weinig van de cel afweten...
In de oersoep is DNA niet houdbaar gedurende de miljoenen jaren, als dit niet door een membraan beschermd wordt. De levensduur van onbeschermd DNA is te schatten in uren, hooguit dagen. Tegenwoordig zoekt men meer naar het ontstaan van enkelstrengig RNA dan van dubbelstrengig DNA. Naakt RNA is echter even kwetsbaar voor destructieve milieu-invloeden als naakt DNA. Juist de miljoenen jaren, die het darwinistisch scenario toejuicht, zijn voor het RNA en DNA fataal.
Er bestaan naar schatting 2000 enzymen. Hoewel elke cel met minder rondkomt, is het toevallig ontstaan van zoveel enzymen op de juiste plaats, op de juiste tijd en in de juiste hoeveelheid niet meer geloofwaardig. Enzym en substraat passen op elkaar zoals de sleutel op het slot en de vinger in de handschoen...
Ten slotte, toeval is geen verklaring, maar het ontbreken van een natuurwetenschappelijke verklaring...
Op grond van deze en soortgelijke bezwaren hebben vakgenoten geen belangstelling meer voor het oersoepmodel, dat op de middelbare scholen nog steeds wordt onderwezen ... Volgens Yockey hebben wij geen flauw vermoeden hoe het leven ontstaan is, en het zou eerlijk zijn om dit te bekennen tegenover de financiers van wetenschappelijk onderzoek en tegenover het grote publiek
(Dr. H. van Waesberghe, Darwin achterhaald? Missing link en evolutie, Intermediair 44, 4 november 1988)

Hoogleraar Han Zuilhof zegt hierover in een interview n.a.v. zijn oratie (10 april 2008) in het Nederlands Dagblad: In veel leerboeken staat eigenlijk dat we wel zo ongeveer weten hoe het leven is ontstaan. Maar dat weten we niet. De stelligheid waarmee dat facet van de evolutietheorie als feit wordt gepresenteerd, vooral in schoolboeken, is misplaatst. Ik maak wel eens een vergelijking met het alfabet. We kennen het alfabet als we het van a tot z kunnen opzeggen en gebruiken. Iemand die alleen de eerste drie letters kan opzeggen, weet ongeveer evenveel van het alfabet als een wetenschapper van het ontstaan van het leven. We weten heel weinig. Maar middelbare scholieren en studenten krijgen te horen dat we het wel weten.

Volgens prof. Stephen C. Meyer, directeur van de Discovery Institute’s Center for Science and Culture, is een cel zo complex en bevat die zoveel informatie, dat er sprake moet zijn van intelligent ontwerp (ID, intelligent design). In zijn boek Signature in the Cell (2009) laat hij zien dat eerdere wetenschappelijke pogingen om de oorsprong van biologische informatie uit te leggen, allemaal hebben gefaald. Meyer toont overtuigend aan dat intelligent ontwerp de beste verklaring voor het leven is.
James M. Tour, een beroemde hoogleraar scheikunde en nanotechnologie aan de Rice University te Houston, heeft in 2012 verklaard dat er geen wetenschapper is, die begrijpt hoe macro-evolutie werkt op scheikundig niveau. In privégesprekken hebben veel wetenschappers dat ook aan hem toegegeven. Maar openlijk durven ze dat niet te zeggen uit angst schade voor hun carrière.


Kosmische evolutie.

Er zijn nog enkele bijzonderheden aan het zonnestelsel, waar de Big Bang theorie, de kosmologische evolutietheorie, geen goed raad mee weet:
1 De zon is niet uitgelijnd in het vlak van de ecliptica. Dit is niet te rijmen met het idee dat het zonnestelsel is ontstaan uit een roterende nevel (de Kant-Laplace-hypothese).
2 De planeten hebben vrijwel het hele hoekmoment (impulsmoment) van het zonnestelsel. Ook dit is niet te rijmen met de hypothese van de zonnenevel.
3 De jonge-zwakke-zon paradox. Volgens de Big Bang theorie zijn de zon en de aarde zo’n 4,5 miljard jaar oud. De meeste biologen veronderstellen dat het leven op aarde ruim 3 miljard jaar geleden is ontstaan. Maar volgens de oerknaltheorie was de zon toen veel kouder dan nu. Dat impliceert echter ook een veel koudere aarde, met een gemiddelde temperatuur van onder het vriespunt. Die kou zou juist het ontstaan van leven belemmeren. Dit wordt in de biologische evolutietheorie niet meegenomen.
4 De planeet Uranus heeft veel eigenschappen, die problematisch zijn voor de hypothese van een roterende nevel. De evenaar heeft een hoek van 98° met het vlak van de ecliptica waarin de planeet rond de zon draait. Gewoonlijk wordt voor dit soort problemen een botsing met een onbekend hemellichaam verondersteld. De omloopbaan van Uranus is echter vrijwel cirkelvormig en haar manen lopen in normale banen rond de equator.
Tot totale verbazing van wetenschappers staat de magnetische as ongeveer 60 graden schuin ten opzichte van haar rotatie-as. Het is niet bekend waarom. (Christiansen and Hamblin, Exploring the Planets, p. 406).
De magnetische as van Uranus wijkt ook af van het centrum van de planeet.
5 Onze zon is een buitengewone ster (precies geschikt voor het leven):
*De zon is een type G-ster. Slechts 9 % van alle sterren behoort tot dit type.
*De zon heeft geen nabije buurster(ren). Ongeveer 85 % van de sterren maken deel uit van twee- of veelvoudige systemen.
*Precies massief genoeg. Indien de zon te massief zou zijn, zou ze instabiel worden. Indien zij niet massief genoeg zou zijn, zou de aarde dichtbij staan en steeds met dezelfde kant naar de zon gericht zijn.
*Zonachtige sterren produceren gewoonlijk eens per eeuw een heldere supervlam…Waarom historisch niet is geregistreerd dat een supervlam op de zon heeft plaatsgevonden, is onduidelijk. ‘Ik denk dat een consensus zich aftekent dat onze zon buitengewoon stabiel is’, oppert Galen Gisler, een astronoom aan het Los Alamos National Laboratorium in New Mexico. (Citaat uit Seife, Charles. "Thank our lucky star." New Scientist 161.2168 (1999): 15.).


NGC7603B en NGC7603

Verschillende roodverschuivingen

Ook bij sterren(stelsels) zijn er bijzonderheden die problemen vormen voor de Oerknaltheorie:
1 Er wordt verondersteld dat de roodverschuiving van het licht van sterren en stelsels een goede maat is voor de afstand van de sterren(stelsels). Quasars hebben een enorme roodverschuiving en worden daarom geacht zich op enorme afstanden te bevinden. Er zijn echter sterrenstelsels ontdekt die met een lichtbrug zijn verbonden met een quasar, zoals NGC4319. Een ander voorbeeld betreft de stelsels NGC7603 en NGC7603B. In de lichtbrug bevinden zich zelfs 2 quasars, alle vier met verschillende roodverschuivingen. Roodverschuiving is dus niet altijd een betrouwbare maat voor de afstand van een object.
2 Er is een probleem met “vroege” sterrenstels. Er zijn alomtegenwoordige sterrenstelsels ontdekt in het vroege heelal”: op slechts 5% van de leeftijd van de Big Bang. Veel sterrenstelsels zijn volledig gevormd, de meeste zijn spiraalvormig in plaats van onregelmatig. Er zijn clusters van sterrenstelsels ontdekt op minder dan 3 miljard jaar na de Big Bang. Er is echter na de Big Bang niet genoeg tijd geweest om deze dingen te doen ontstaan.
3 Voor stervorming is vereist dat veel moleculen zich samenvoegen. De zwaartekracht wil dat teweegbrengen. De gasdruk werkt dat echter tegen, zodat er geen ster kan ontstaan. Als oplossing wordt nu een supernova verondersteld, zodat een ster ontstaat in een wolk van stof. Dat geeft echter twee problemen: er worden heel weinig supernova’s waargenomen, bovendien heb je zo het probleem van de kip en het ei. Het proces, waardoor een interstellaire wolk wordt samengetrokken totdat het door de zwaartekracht bijeen wordt gehouden om een eerste ster te worden, is niet bekend.
4 Een bijzondere ster is SDSS J102915+172927 . Deze ster in sterrenbeeld Leeuw is onverklaarbaar voor de meest geaccepteerde theorie van stervorming: relatief weinig massa, een extreem laag metaalgehalte, lithium ontbreekt vrijwel geheel. De ster wordt op ruim 13 miljard jaar oud geschat, maar toch is het lithiumgehalte van de ster zeker vijftig keer zo laag als dat van de materie die bij de oerknal zou zijn ontstaan. ESO heeft nog verscheidene andere kandidaten opgespoord met metaalgehalten die vergelijkbaar zijn met, of zelfs nog lager dan deze ster.
5 Volgens de Big Bang theorie zijn sterren miljarden jaren oud en hebben ze miljoenen jaren nodig om fors van kleur te veranderen. Bij Sirius, de helderste ster aan het firmament, zijn er echter al waarnemingen die deze theorie falsificeren. Momenteel is de kleur blauwwit, maar 2000 geleden werd Sirius als een rode ster waargenomen en beschreven door o.a. Ptolemeüs in zijn Almanak (140 na Chr.). Dit probleem heet in de astronomie de red Sirius anomaly.
6 Het Melkwegstelseldraaiingsprobleem. Dit is het probleem dat er een significante afwijking is tussen de waargenomen draaisnelheden van materie in de schijfdelen van spiraalvormige sterrenstelsels en de voorspellingen volgens de Wetten van Newton. Om dit probleem op te lossen gaan astronomen ervan uit dat dit veroorzaakt wordt door donkere materie, die niet zichtbaar is met optische middelen en dus niet te detecteren via de elektromagnetische straling die ons op aarde bereikt.
7 Een geliefde standpunt van astronomen is dat, als we maar kijken op een schaal die groot genoeg is, we zullen ontdekken dat het heelal gelijkmatig en homogeen is. Vanaf Einstein hebben vooraanstaande kosmologen dit aangenomen. Als we echter verder kijken, zien we een heelal, waarin de zichtbare massa is samengeklonterd in sterrenstelsels op grote afstanden van elkaar, terwijl de sterrenstelsels zelf weer in clusters bij elkaar zijn gegroepeerd, en de clusters weer in clusters, enz. Wetenschappers vinden deze stand van zaken irritant.

Naast donkere materie vereist de Big Bang theorie meer zaken, die niet waar te nemen zijn, zoals donkere energie en inflatie. De Big Bang kan niet roemen op kwantitatieve voorspellingen die nadien zijn gevalideerd door waarnemingen.
Dit heeft in 2004 een aantal wetenschappers doen besluiten om een open brief aan de wetenschappelijke gemeenschap te publiceren, met het verzoek om onderzoek naar alternatieve theorieën en observationele tegenstellingen van de oerknal niet langer op allerlei manieren tegen te gaan. Deze onderzoeken worden ernstig gehinderd door een compleet gebrek aan financiering en door censuur, negeren of belachelijk maken van observaties, die in strijd zijn met de Big Bang theorie.



Er bestaan nog een aantal verkeerde aannames omtrent evolutie:

- Een orgaan dat verloren is gegaan t.g.v. evolutie, komt nooit meer terug d.m.v. evolutie.
Op zich is deze stelling waar, alleen de omschrijving is niet goed. Als een orgaan verloren is gegaan in volgende generaties, dan is er sprake van degeneratie, i.p.v. evolutie. En als dat orgaan niet meer terug kan worden geëvolueerd, dan is dat juist een bewijs tégen evolutie.

- Mensen zouden nu in twee generaties behoorlijk zijn geëvolueerd.
De veranderingen, die momenteel optreden in bepaalde gebieden, zoals het langer worden van mensen, zijn echter niet het gevolg van een genetische verandering in de mensen. Lengteverandering wordt veroorzaakt door een andere levenswijze, een andere voeding en betere omstandigheden voor de gezondheid.


De misleidende tekeningen van Haeckel

- De recapitulatietheorie of 'biogenetische wet'. De Duitse bioloog Haeckel (1834-1919) heeft in 1874 beweerd dat embryo's van gewervelden tijdens hun embryonale ontwikkeling alle stages van hun evolutie doorlopen. Zo zouden menselijkem embryo's in een vroeg stadium kieuwen ontwikkelen, maar we weten inmiddels dat dat niet zo is. Ter ondersteuning van zijn theorie gebruikte Haeckel foute, misleidende tekeningen. Haeckel's tekeningen leven in een gewijzigde vorm nog steeds voort in gezaghebbende werken en in lesboeken van middelbare scholieren van de 21e eeuw! De Britse embryoloog dr. Michael Richardson heeft echter in 1997 aangetoond dat de tekeningen een foute weergave zijn van de werkelijkheid (Richardson, Michael K., et al. "There is no highly conserved embryonic stage in the vertebrates: implications for current theories of evolution and development." Anatomy and Embryology 196.2 (1997): 91-106)

Inmiddels is duidelijk dat zelfs de geslachtscellen van de verschillende klassen gewervelden een totaal andere embryonale ontwikkeling doormaken: Bij vogels verschijnen de cellen, die geprogrammeerd zijn om geslachtscellen te worden, eerst in het extra-embryonale endoderm … dat zich vooraan de kop van het zich ontwikkelende embryo bevindt … Van daaruit worden de voorlopers van de geslachtcellen aan de bloedbaan afgegeven. Nadat ze daar enige tijd in het bloed hebben gecirculeerd, wurmen ze zich door de bloedvaten heen om zich in de geslachtsklieren te nestelen, waar ze zich definitief differentiëren tot geslachtscellen. Bij zoogdieren verschijnen de voorlopers van de geslachtcellen eerst in het endoderm van de dooierzak, een structuur, die is voorbestemd om de urineblaas van het volwassen dier te gaan vormen. Van hieruit verhuizen ze … naar de geslachtsklieren om dan pas hun differentiatie te voltooien. Er is dus geen enkele manier om de voortplantingscellen van zoogdieren als homoloog te veronderstellen met die van vogels. Dit omdat ze zich ontwikkelen uit tegenovergesteld gelegen uiteinden van het embryo en de geslachtsklieren op volkomen verschillende manieren bereiken. - Prof. John A. Davison in Evolutionary Manifesto (2000).
De biologische feiten tonen dat de voortplantingscellen van vogels, zooggewervelden en amfibieën op totaal verschillende manier ontstaan. De afwezigheid van continuïteit van geslachtcellen duidt erop dat ze geen gemeenschappelijke voorouder hebben of gehad hebben. - Dr. Peter Borger in Terug naar de oorsprong (2009).


Een van de belangrijkste aspecten bij het onderzoek naar evolutie is natuurlijk de datering van de ouderdom van fossielen. Daartoe bestaan een aantal verschillende methoden. In het algemeen is er maar één methode, waarbij aan de hand van het fossiel zelf kan worden bepaald, hoe oud het fossiel is. Bij de andere methoden wordt de leeftijd van het fossiel bepaald aan de hand van de geschatte leeftijd van de aardlaag, waarin het fossiel gevonden werd.

De eerste methode is de leeftijdsbepaling van het fossiel m.b.v de C14-methode. Deze methode, in 1947 ontdekt door dr. W.F. Libby, is gebaseerd op het feit dat door kosmische straling er in de atmosfeer voortdurend een heel klein beetje stikstof wordt omgezet in radioactieve koolstof. Deze radioactieve koolstof wordt afgekort als C14, de atoomkern bestaat uit 6 protonen (dat is het kenmerk van koolstof) en 8 neutronen (vandaar het getal 14, naar het aantal kerndeeltjes).
Nu vervalt het koolstof-isotoop C14 na verloop van tijd tot het stabiele isotoop C12, dat niet radioactief is, en wel zo dat steeds na ongeveer 5.500 jaar (de halveringstijd of halfwaardetijd) de helft van het nog aanwezige moeder-isotoop C14 is omgezet in het dochter-isotoop C12. Bij dit proces komt lichte radioactieve straling vrij, die kan worden gemeten.
De C12 wordt in de atmosfeer gebonden aan zuurstof. In de atmosfeer bevindt zich dus gewone kooldioxide (CO2) en een beetje radioactieve C02. Deze worden allebei opgenomen door planten en komen zo verder in de voedselketen, zodat alle levende wezens ongeveer dezelfde verhouding C14/C12 hebben als in de atmosfeer. Wanneer een plant, dier of mens sterft, vermindert de hoeveelheid C14 in het stoffelijk overschot ook tot de helft in 5.500 jaar, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.

In formulevorm: laat V(t) de verhouding C14/C12 in een fossiel zijn met ouderdom t en halfwaardetijd h, dan geldt

V(t)=V(0) x 2-t/h

Na 79 jaar is de verhouding dan tot 99 % afgenomen, na 5.500 jaar tot 50 %, na 11.000 jaar tot 25 % en na 55.000 tot 0,1 %, enz. Hierdoor is de C14-methode slechts bruikbaar voor fossielen van hoogstens 60.000 jaren oud, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1 De halfwaardetijd is onveranderlijk.
2 De hoeveelheid kosmische straling op onze atmosfeer is de afgelopen 30.000 jaar constant gebleven.
3 Er is een evenwicht tussen de vormingssnelheid en de afnamesnelheid (door verval en opname) van C14.
4 Er vindt geen uitwisseling van koolstof plaats tussen het stoffelijk overschot en de omgeving.
De aannames 1-3 zijn theoretische vooronderstellingen. Aan voorwaarde 4 wordt niet altijd voldaan, met name niet bij rotting of verstening, zodat uitkomsten dan minder betrouwbaar zijn.


Bot van een triceratops

In deze eeuw zijn enkele bijzondere ontdekkingen gedaan. In de evolutietheorie wordt verondersteld dat dinosauriërs zo’n 65 miljoen jaar geleden zijn uitgestorven. In 2003 is echter voor het eerst zacht weefsel ontdekt in een achterpoot van een Tyrannosaurus rex: zacht, flexibel en plaatselijk doorzichtig weefsel van een zich soms vertakkend vaatstelsel, dat nog zeer elastisch was. Ook bij een hadrosauriër is zacht weefsel gevonden. (Soft-Tissue Vessels and Cellular Preservation in Tyrannosaurus rex, 2005 PDF). Naderhand zijn bij nog meer dinosauriërs zacht weefsel gevonden. Dit roept de vraag op of ze wel zo lang geleden zijn uitgestorven. Om dit te testen heeft Hugh Miller toestemming gevraagd om van enkele dijbenen monsters te verzamelen om C14 testen te doen. Hij kreeg die toestemming en heeft vervolgens van het botcollageen van enkele dinosauriërs de leeftijd bepaald volgens de C14-methode. De dateringen waren heel opvallend: 31.000 jaar voor een triceratops en 23.000 jaar voor een hadrosauriër (Recent C-14 Dating of Fossils including Dinosaur Bone Collagen, HTML). Voor een eenvoudige uitleg en foto’s, zie www.dinosaurc14ages.com. Critici zullen zeggen dat er vervuiling is opgetreden, waardoor het botcollageen jonger lijkt dan het is. Maar volgens Dr. Libby, de uitvinder van cd C14-dateringsmethode is er geen natuurlijk mechanisme bekend, waardoor collageen zo kan veranderden dat de datering een valse leeftijd oplevert (Radiocarbon dating of bone and shell from their organic components, Science 144 (1964), 22 May, p. 999-1001.


Er zijn echter ook andere radioactieve "klokken", met een halveringstijd van vele miljoenen jaren i.p.v. de 5.500 van C14. Een paar voorbeelden zijn K40 (radioactief Kalium) dat na ruim 1 miljard jaar voor de helft overgaat in Ar40 (een stabiel Argon-isotoop) en Uranium-238 (U238) dat via allerlei tussen-isotopen heel langzaam wordt vervalt tot het stabiele lood-isotoop Pb206.

De vraag is nu of dit soort klokken bruikbaar zijn voor datering van fossielen. De gedachtegang is dat t.g.v. een vulkaanuitbarsting ergens gesteente wordt afgezet dat bijvoorbeeld zuiver K40 bevat en geen Ar40. Door nu de verhouding K40/Ar40 te meten, "weet" men de ouderdom van dit gesteente. Als die verhouding 1 : 3 is, dan is er nog 25 % van de oorspronkelijke K40 over en zou het gesteente ruim 2 miljard jaar oud zijn.
In werkelijkheid weten we echter niets over de samenstelling van het oorspronkelijke magma, zoals dat ter plekke is achtergebleven. Het enige wat we weten is de maximale ouderdom van het gesteente, de volkaan-uitbarsting kan best korter geleden hebben plaats gevonden. Het is namelijk mogelijk dat het magma toch een mengsel van K40 en Ar40 bevatte. Ook kan het gesteente toch wat Argon uit de atmosfeer hebben opgenomen. Als zich maar een fractie Argon in het gesteente bevindt, dan zal dit, wegens de hoge halfwaardetijd, bij jong gesteente resulteren in een veel te oude schatting van de leeftijd. Hier staan enkele
voorbeelden van te oude schattingen. Zie ook een artikel van Steve Austin over Mount St. Helens.


Mt. St. Helens na de vulkaanuitbarsting van 1980

Prof. dr. W.J. Ouweneel schrijft over dateringen: Bovendien bestaan er niet veel gevallen waar onafhankelijke methoden gelijke ouderdommen voor een gesteentemonster opleverden. In talloze gevallen hebben ze juist zulke verschillende ouderdommen opgeleverd dat men de op grond van het evolutiemodel minst betrouwbare getallen opzij heeft geschoven. Trouwens, de verschillende radiometrische methoden zijn niet werkelijk onafhankelijk van elkaar, want de rubidum- en kaliummethoden worden juist geijkt met de uraniummethode. En al deze methoden samen worden uiteindelijk met de evolutionistische tijdschaal geijkt! Waar een uraniumresultaat niet klopt met de evolutionistische aardlagendatering, wordt het eerste genegeerd, niet het tweede (Willem J. Ouweneel, Het ontstaan van de wereld, EO-uitgaven blz 46-47, 1980).

De meest gebruikte methode is de leeftijd van de aardlaag te dateren aan de hand van de ouderdom van de fossielen in die aardlaag. Alleen hebben we dan niet meer te maken met wetenschappelijke bewijzen, maar met een cirkelredenering in de theorie: het fossiel wordt gedateerd aan de hand van de ouderdom van de aardlaag en die aardlaag wordt gedateerd aan de hand van de leeftijd van de fossielen, die zich er in bevinden.
Bovendien, en dat is wetenschappelijk gezien ook kwalijk, worden fossielen, die niet passen in een aardlaag, genegeerd. Voorbeelden daarvan zijn paardfossielen in het Krijt (een aardlaag die hoort bij het Mesozoicum, het tijdperk van de reptielen), fossiel hout in het Cambrium (de aardlaag die correspondeert met de ongewervelde dieren en de eerste plantvorming) en de fossiele afdrukken van zowel mensen als dinosauriërs in kalksteenlagen (Willem J. Ouweneel, Het ontstaan van de wereld, EO-uitgaven blz 143, 1980).

boomstam in Carboon
Een ander voorbeeld. Volgens de klassieke theorie heeft steenkool zich gevormd uit de resten van grote varens en andere planten, die groeiden in geweldige moerassen. Bij het zich steeds weer terugtrekken der zee zouden de verschillende steenkoollagen ontstaan zijn. Bovenstaande foto toont echter de onhoudbaarheid van deze theorie. Op de foto is een rechtopstaande boomstam uit het Carboon in Duitsland te zien. Deze boomstam had nooit rechtop kunnen staan in de verschillende steenkoollagen als deze lagen in verschillende tijdsperioden waren geformeerd. De enige afdoende verklaring voor de aanwezigheid van deze boomstam is dat al deze lagen tegelijk met de boomstam zijn versteend tot kolen. Er moet sprake zijn geweest van een enorme ramp zoals de zondvloed om dit te bewerkstelligen.


Bijna-doodervaringen: de mens heeft een geest. Er zijn mensen die een bijna-doodervaring hebben meegemaakt. Dat ging vaak gepaard met uittreding van hun geest/ziel uit hun lichaam. Soms eerst tot aan het plafond van de ziekenuiskamer. Zo beschrijft Howard Storm zijn BDE: Terwijl ik de kamer rondkijk, zie ik dat er iets onder het laken op het bed ligt. Er is iets onder het laken, een lichaam. En dus buig ik over het bed heen om het gezicht te bekijken, het hoofd lag weggedraaid van mij en het leek op mij. Maar dat was toch niet mogelijk omdat ik hier sta, ik ben levend, ik voel me geweldig, weet je, ik bedoel, ik voel me meer dan geweldig, weet je. En zo probeerde ik om tegen mijn vrouw te spreken, maar zij kon me niet horen of zien. Ik dacht dat zij me negeerde. Dus werd ik heel boos op haar, omdat zij mij negeerde en niet naar mij keek. Dus gilde en schreeuwde ik naar haar, "Waarom ligt dit lichaam in bed, dat op mij lijkt? Hoe is het daar terecht gekomen, enz.?" Ik had een heimelijke verdenking dat het lichaam in bed van mij was, maar ik wilde daar niet aan denken omdat dat te eng was. (Maurice S. Rawlings: Naar de hel en terug: Video, PDF).
Sommige mensen ervaarden zich in het helse dodenrijk, anderen zagen het hemels paradijs, maar mochten er nog niet binnengaan. Zelfs blindgeboren mensen kunnen zien tijdens hun bijna-doodervaring, zoals Vicki Umipeg, die op haar 22-e een BDE onderging. Aanvankelijk bekeek ze vanuit het plafond wat de medici met haar aan het doen waren. Later kwam ze zelfs tot het paradijs. Dit bewijst dat mensen uit meer bestaan dan alleen maar een lichaam. Mensen zijn geen chemische robots, maar hebben ook een geest, die kan zien vanaf posities, waar het lichaam zich niet bevindt, zelfs als ze blind geboren zijn. Dit is niet te verklaren vanuit een atheïstische evolutionistische visie.
Mensen hebben de neiging de negatieve bijna-doodervaringen snel te vergeten. Dr. Rawlings schrijft daarover: Het is belangrijk, mensen die gestorven zijn, onmiddellijk na hun resuscitatie te interviewen, wanneer zij nog steeds in moeilijkheden verkeren en om hulp roepen en voordat de ervaring kan worden vergeten of verzwegen. Deze vreemde negatieve ontmoetingen hebben zelfs een nog grotere invloed op hun toekomstig leven en hun opvattingen over de dood. Ik heb nog nooit een dergelijk persoon een agnosticus of een atheïst zien blijven. (Maurice S. Rawlings, Op de drempel van de dood. Uitgeefmij Helmond, 1978)
Ook de Nederlandse cardioloog Pim van Lommel geeft in zijn boek Eindeloos bewijstzijn voldoende voorbeelden, die duidelijk maken dat onze geest uit ons lichaam kan treden en dat ons bewustzijn dan ook uittreedt, en dat onze geest/bewustzijn blijft voortleven na de lichamelijke dood (Pim Van Lommel, Eindeloos bewustzijn: een wetenschappelijke visie op de bijna-doodervaring. Uitgeefmij Kok ten Have, 2007). 9


Bijbelse aanwijzingen: Een ander interessant bezwaar tegen de evolutietheorie is de beschrijving van een dinosaurus in de bijbel. Volgens de evolutietheorie was deze allang uitgestorven voordat de eerste mensen leefden. Maar als dat zo zou zijn, dan had Job hem nooit kunnen beschrijven. Bovendien zijn er afdrukken gevonden van mensenvoeten en poten van dinosauriërs naast elkaar.
Andere aanwijzingen voor de historische waarde van de bijbel zijn te vinden in de Chinese tekens. Deze symbolentaal is ongeveer 4000 jaar oud. In deze taal (het Mandarijns) zijn gebeurtenissen als de zondvloed en de zondeval van Adam en Eva terug te vinden.


Wetenschappers die zich hebben afgekeerd van het evolutionisme zijn o.a.: Carl Werner, Walter J. Veith, Dean H. Kenyon, Peter Borger, John Sanford, Matti Leisola, Sylvia Baker, Jobe Martin, Spike Psarris en Barry J. Setterfield. Er zijn nog veel meer bezwaarden:
- op www.dissentfromdarwin.org bevindt zich een lijst van nog honderden andere wetenschappers, die wetenschappelijk bezwaar hebben tegen het Darwinisme.
- op cosmologystatement.org bevindt zich een lijst van nog honderden andere wetenschappers, die wetenschappelijk bezwaar hebben tegen de Big Bang theorie.
Op www.ptep-online.com staat een Declaratie van Academische Vrijheid. Hieruit blijk o.a. dat een betreurenswaardige censuur nu de standaardpraktijk is geworden bij redacties van de belangrijke wetenschapstijdschriften.

Onderstaande film (Nederlands ondertiteld) verschaft inzicht hoe er binnen de wetenschappelijke wereld met andersdenkenden wordt omgesprongen. Wetenschappers komen aan het woord, die laten zien dat de Big Bang geen bewezen feit is. Waarnemingen, die niet passen bij de Oerknaltheorie, zijn niet welkom in publicaties. Aan sceptische waarnemers wordt tijd ontnomen om telescopen te gebruiken. Wetenschappers durven amper hun twijfels te uiten over de Big Bang theorie uit angst voor hun carrière. Wie denkt dat de kosmische wetenschap zich met waarheidsvinding bezighoudt, komt bedrogen uit.



Voor verdere argumenten tegen evolutie zie Dutchcreationscience.com, Verzwegen Wetenschap, Evolutie.EU, De Oude Wereld, archippus.nl, Evolutie.biz, All About Creation, scheppingsleer.org, Schepping of Evolutie en Dr. Dino.
Engelstalig: The Creation Research Society, CREATION.com, Answers In Genesis, Creationwiki, Creation Today en Kent Hovind's Blog.
Voor een verdere discussie over evolutie of degeneratie is de homepage van Peter M. Scheele interessant om te bezoeken.


Een interessant boek met veel argumenten tegen evolutie is Science vs. Evolution van Vance Ferrell: PDF of HTML (2006). Vorige uitgaven van dit boek zijn:
The Evolution Handbook (2005) en The Evolution Crucncher (2001).

www.creatie.info

_________________________________________________________________

Conclusie.

Evolutie op macro-niveau is geen bewezen feit, maar een theorie, die zo uitgehold is dat deze niet meer te verifiëren is. De theorie is in feite een geloof, een persoonlijke aanname van mensen. Met geloof in evolutie als uitgangspunt proberen sommigen zich te ontdoen van de gedachte om straks rekenschap te moeten afleggen aan de Schepper van hemel en aarde. Dat is jammer, Paulus schreef hierover:
Want die mensen kunnen heel goed weten dat God er is. Hij heeft het hun Zelf bekendgemaakt. God is wel onzichtbaar, maar Zijn werk (alles wat Hij heeft geschapen) bewijst Zijn eeuwige kracht. Want sinds het ontstaan van de wereld is Zijn bestaan duidelijk te herkennen uit wat Hij gemaakt heeft. Daarom hebben de mensen geen enkele verontschuldiging. (Romeinen 1:19,20 - Het Boek/De Bijbel).

Terug naar Homepagina