![]() |
Toon Indexframe | ![]() |
Freeware |
Tijdens zijn bezoek aan de Galapagos eilanden heeft Charles Darwin (1809-1882) een grote variatie aan vinken en schildpadden aangetroffen. Dat bracht hem op de gedachte dat de huidige soorten zijn voortgekomen uit vroegere soorten door een geleidelijk proces, namelijk natuurlijke selectie. In 1859 publiceerde Darwin zijn ideeën in het boek "The origin of species by means of natural selection".
Wat Darwin echter heeft waargenomen was micro-evolutie: een geleidelijke verandering van
bepaalde rassen en soorten binnen bepaalde grenzen: de
vinken bleven vinken en de schildpadden bleven schildpadden. Verder reikte zijn
waarneming niet.
Darwin trok echter de voorbarige conclusie dat de levensvormen zich voortdurend
ontwikkelen naar hogere levensvormen: macro-evolutie. Zo zouden ongewervelde
dieren gewervelden hebben voortgebracht, reptielen zouden zijn geëvolueerd naar
zoogdieren, enz. Voor deze macro-evolutie is echter geen enkel bewijs.
Zo schreef Darwin zelf in zijn boek
"The origin of species by means of natural selection":
Waarom vinden wij niet talrijke tussenvormen in elke geologische periode? Waarom ontbreekt in elke
fossielenverzameling het afdoende bewijs dat de tussenvormen langzaam en geleidelijk ontstaan zijn?
Dit bewijs vinden wij niet en dat is het voornaamste bezwaar dat men tegen deze theorie kan maken.
Een voorbeeld, Buideldieren worden geacht primitiever te zijn dan placentale zoogdieren, dus dichter bij de reptielen. Er zijn nogal wat verschillen tussen reptielen en buideldieren:
|
Reptielen | Buideldieren | |
| koudbloedig | warmbloedig | ||
| 1 gehoorbeentje | 3 gehoorbeentjes | ||
| geen buidel voor jongen | buidel voor jongen | ||
| drinkt geen melk | drinkt melk bij moeder |
Er zijn geen overgangsvormen bekend tussen reptielen en buideldieren; er is sprake van een missing link. Zo is een geleidelijke overgang van niet-melkdrinkend naar melk-drinkend al niet voor te stellen. Een overgang reptiel-buideldier is echter al helemaal niet voor te stellen, omdat een buideldier, met haar piepkleine jong(en), niets heeft aan een te kleine buidel.
De missing link tussen apen en mensen was zo frusterend voor aanhangers van de evolutietheorie,
dat een aantal "wetenschappers" heeft geprobeerd dit gat aan fossielen op te vullen met vervalsingen.
De meest bekende hiervan is het Piltdown fossiel, welke in 1912 in elkaar werd gefrabriceerd.
Na de Tweede Wereldoorlog werd echter ontdekt dat het hier ging om een schedel van een mens met een kaak van een aap.
Een andere aapmens, die werd gefantaseerd was de Nebraska-mens (Hesperopithecus), "ontdekt" door de
Amerikaanse paleontoloog Dr. H.F. Osborn. Het enige fossiel, wat hij had opgegraven was echter een tand.
De wens was echter de vader van de gedachte, maar helaas voor hem: later bleek het om een tand van een wild zwijn te gaan.
Voor meer vervalsingen zie
Echt Nieuws Netwerk.
Andersom kan het ook. Mensenrassen kunnen onterecht als aapmensen worden beschouwd. Zo werd
lange tijd verondersteld dat de Neanderthaler een aapmens was. Inmiddels is men tot de slotsom gekomen
dat we hier met een zuiver mensenras te maken hebben, net zoals bijvoorbeeld pygmeeën dat zijn.
Bioloog Prof. Dr. Bruinsma merkte over missing links op:
Op een paleontologencongres in 1981 in de VS stelde het hoofd van de rijkste fossielencollectie ter wereld,
die in het British Museum in Londen, dr. Colin Patterson, zijn collega's openlijk de vraag of er iemand was die één,
slechts één echte tussenvorm gevonden had; het bleef doodstil. Na verloop van tijd merkte iemand van de
aanwezigen in de zaal op : 'it ought not to be taught in highschool' (het zou niet op de middelbare school onderwezen mogen worden).
De meest befaamde huidige paleontoloog, dr. Stephen Gould van de Havard University, die dit
probleem 'the trade secret of paleontology' noemt, stelt als oplossing voor dat zulke tussenvormen slechts heel kort
in een klein deel van de populatie zouden zijn voortgekomen en dus niet gevonden kunnen worden.
Vanuit dit standpunt zou het weliswaar logisch zijn om het zoeken naar missing links op te geven,
maar dat zou onwetenschappelijk zijn. Het is wetenschap bedrijven zonder bewijsmateriaal te verzamelen.
Daarmee verliest een wetenschappelijke theorie zijn status en wordt ze een dogma, een geloofsartikel.
Het alternatief is het aanvaarden dat die tussenvormen er nooit zijn geweest.¹
Dat micro-evolutie bestaat, is een bewezen feit. Maar de theoretische basis daarvan is door
Gregor Mendel blootgelegd. Onze erfelijke eigenschappen zitten in onze genen.
Door natuurlijke selectie of fokken zullen bepaalde genen dus
oververtegenwoordigd worden in de nakomelingen. Maar wat er in feite gebeurt is
een verarming van de variatie aan genen: dit noemt men degeneratie. Bij het
fokken van honden kunnen we dit waarnemen. Zo zijn er hondenrassen met veel te
korte poten. Die korte pootjes zijn in feite een erfelijke afwijking. Rashonden
lopen dan ook het gevaar om door inteelt teveel ziekelijke eigenschappen te
krijgen en zo verloren te gaan. Een voorbeeld uit de natuur van een
gedegenereerd kattensoort is de cheeta. Cheeta's lijken genetisch heel erg op
elkaar, wat het gevaar op uitsterven vergroot.
Er is bij micro-evolutie overigens geen sprake van evolutie in de zin, zoals
Darwin die bedoeld heeft. Er ontstaan in dat proces namelijk helemaal geen
nieuwe genen in de zin van evolutie. Als er al een "nieuw" gen ontstaat door mutatie, dan is dat altijd een verzwakking of
een nutteloze verandering van een bestaand gen. Diverse aangeboren ziekten zijn het gevolg van defecte genen.
Cel-evolutie.
In de vrije natuur komen aminozuren voor. Aminozuren zijn onderdelen van eiwitmoleculen en daarmee ook onderdelen van levende organismen.
Nu veronderstellen evolutionisten2
dat in de "oersoep" aminozuren zijn ontstaan, vervolgens eiwitten en het voor het leven noodzakelijke DNA en daarna
de eencellige levende wezens.
Probleem daarbij is dat de aminozuren in de vrije natuur in twee toestanden voorkomen, namelijk linksdraaiend en rechtsdraaiend.
In eiwitten komen echter vrijwel uitsluitend linksdraaiende aminozuren voor.
De overgang van aminozuren naar eiwitten is hiermee al helemaal onduidelijk. Maar de evolutie op celniveau heeft ook heel grote problemen.
Theoretisch bioloog Dr. H. van Waesberghe omschreef een aantal problemen t.a.v. evolutie van de cel in Intermediair:
Hoe men het ook wendt of keert, ons probleem is niet hoe het eerste biomolecuul ontstond, maar hoe de eerste cel ontstond.
Terecht bekritiseren biologen de pure biochemici, die te weinig van de cel afweten...
In de oersoep is DNA niet houdbaar gedurende de miljoenen jaren, als dit niet door een membraan beschermd wordt.
De levensduur van onbeschermd DNA is te schatten in uren, hooguit dagen. Tegenwoordig zoekt men meer naar het
ontstaan van enkelstrengig RNA dan van dubbelstrengig DNA. Naakt RNA is echter even kwetsbaar voor destructieve
milieu-invloeden als naakt DNA. Juist de miljoenen jaren, die het darwinistisch scenario toejuicht, zijn voor het RNA en DNA fataal.
Er bestaan naar schatting 2000 enzymen. Hoewel elke cel met minder rondkomt, is het toevallig ontstaan van zoveel enzymen op de juiste plaats,
op de juiste tijd en in de juiste hoeveelheid niet meer geloofwaardig. Enzym en substraat passen op elkaar zoals de sleutel op het
slot en de vinger in de handschoen...
Ten slotte, toeval is geen verklaring, maar het ontbreken van een natuurwetenschappelijke verklaring...
Op grond van deze en soortgelijke bezwaren hebben vakgenoten geen belangstelling meer voor het oersoepmodel,
dat op de middelbare scholen nog steeds wordt onderwezen ... Volgens Yockey hebben wij geen flauw
vermoeden hoe het leven ontstaan is, en het zou eerlijk zijn om dit te bekennen tegenover de financiers van
wetenschappelijk onderzoek en tegenover het grote publiek.3
Hoogleraar Han Zuilhof zegt hierover in een interview n.a.v. zijn oratie in het Nederlans Dagblad: In veel leerboeken staat eigenlijk dat we wel zo ongeveer weten hoe het leven is ontstaan. Maar dat weten we niet. De stelligheid waarmee dat facet van de evolutietheorie als feit wordt gepresenteerd, vooral in schoolboeken, is misplaatst. Ik maak wel eens een vergelijking met het alfabet. We kennen het alfabet als we het van a tot z kunnen opzeggen en gebruiken. Iemand die alleen de eerste drie letters kan opzeggen, weet ongeveer evenveel van het alfabet als een wetenschapper van het ontstaan van het leven. We weten heel weinig. Maar middelbare scholieren en studenten krijgen te horen dat we het wel weten.4