Toon Indexframe Freeware

Evolutie

Tijdens zijn bezoek aan de Galapagos eilanden heeft Charles Darwin (1809-1882) een grote variatie aan vinken en schildpadden aangetroffen. Dat bracht hem op de gedachte dat de huidige soorten zijn voortgekomen uit vroegere soorten door een geleidelijk proces, namelijk natuurlijke selectie. In 1859 publiceerde Darwin zijn ideeën in het boek "The origin of species by means of natural selection".

Wat Darwin echter heeft waargenomen was micro-evolutie: een geleidelijke verandering van bepaalde rassen en soorten binnen bepaalde grenzen: de vinken bleven vinken en de schildpadden bleven schildpadden. Verder reikte zijn waarneming niet.
Darwin trok echter de voorbarige conclusie dat de levensvormen zich voortdurend ontwikkelen naar hogere levensvormen: macro-evolutie. Zo zouden ongewervelde dieren gewervelden hebben voortgebracht, reptielen zouden zijn geëvolueerd naar zoogdieren, enz. Voor deze macro-evolutie is echter geen enkel bewijs.

Zo schreef Darwin zelf in zijn boek "The origin of species by means of natural selection":
Waarom vinden wij niet talrijke tussenvormen in elke geologische periode? Waarom ontbreekt in elke fossielenverzameling het afdoende bewijs dat de tussenvormen langzaam en geleidelijk ontstaan zijn? Dit bewijs vinden wij niet en dat is het voornaamste bezwaar dat men tegen deze theorie kan maken.

Een voorbeeld, Buideldieren worden geacht primitiever te zijn dan placentale zoogdieren, dus dichter bij de reptielen. Er zijn nogal wat verschillen tussen reptielen en buideldieren:

Reptielen Buideldieren
koudbloedig warmbloedig
1 gehoorbeentje 3 gehoorbeentjes
geen buidel voor jongen buidel voor jongen
drinkt geen melk drinkt melk bij moeder

Er zijn geen overgangsvormen bekend tussen reptielen en buideldieren; er is sprake van een missing link. Zo is een geleidelijke overgang van niet-melkdrinkend naar melk-drinkend al niet voor te stellen. Een overgang reptiel-buideldier is echter al helemaal niet voor te stellen, omdat een buideldier, met haar piepkleine jong(en), niets heeft aan een te kleine buidel.

De missing link tussen apen en mensen was zo frusterend voor aanhangers van de evolutietheorie, dat een aantal "wetenschappers" heeft geprobeerd dit gat aan fossielen op te vullen met vervalsingen. De meest bekende hiervan is het Piltdown fossiel, welke in 1912 in elkaar werd gefrabriceerd. Na de Tweede Wereldoorlog werd echter ontdekt dat het hier ging om een schedel van een mens met een kaak van een aap. Een andere aapmens, die werd gefantaseerd was de Nebraska-mens (Hesperopithecus), "ontdekt" door de Amerikaanse paleontoloog Dr. H.F. Osborn. Het enige fossiel, wat hij had opgegraven was echter een tand. De wens was echter de vader van de gedachte, maar helaas voor hem: later bleek het om een tand van een wild zwijn te gaan. Voor meer vervalsingen zie Echt Nieuws Netwerk.
Andersom kan het ook. Mensenrassen kunnen onterecht als aapmensen worden beschouwd. Zo werd lange tijd verondersteld dat de Neanderthaler een aapmens was. Inmiddels is men tot de slotsom gekomen dat we hier met een zuiver mensenras te maken hebben, net zoals bijvoorbeeld pygmeeën dat zijn.

Bioloog Prof. Dr. Bruinsma merkte over missing links op:
Op een paleontologencongres in 1981 in de VS stelde het hoofd van de rijkste fossielencollectie ter wereld, die in het British Museum in Londen, dr. Colin Patterson, zijn collega's openlijk de vraag of er iemand was die één, slechts één echte tussenvorm gevonden had; het bleef doodstil. Na verloop van tijd merkte iemand van de aanwezigen in de zaal op : 'it ought not to be taught in highschool' (het zou niet op de middelbare school onderwezen mogen worden).
De meest befaamde huidige paleontoloog, dr. Stephen Gould van de Havard University, die dit probleem 'the trade secret of paleontology' noemt, stelt als oplossing voor dat zulke tussenvormen slechts heel kort in een klein deel van de populatie zouden zijn voortgekomen en dus niet gevonden kunnen worden. Vanuit dit standpunt zou het weliswaar logisch zijn om het zoeken naar missing links op te geven, maar dat zou onwetenschappelijk zijn. Het is wetenschap bedrijven zonder bewijsmateriaal te verzamelen. Daarmee verliest een wetenschappelijke theorie zijn status en wordt ze een dogma, een geloofsartikel. Het alternatief is het aanvaarden dat die tussenvormen er nooit zijn geweest.
¹

Dat micro-evolutie bestaat, is een bewezen feit. Maar de theoretische basis daarvan is door Gregor Mendel blootgelegd. Onze erfelijke eigenschappen zitten in onze genen. Door natuurlijke selectie of fokken zullen bepaalde genen dus oververtegenwoordigd worden in de nakomelingen. Maar wat er in feite gebeurt is een verarming van de variatie aan genen: dit noemt men degeneratie. Bij het fokken van honden kunnen we dit waarnemen. Zo zijn er hondenrassen met veel te korte poten. Die korte pootjes zijn in feite een erfelijke afwijking. Rashonden lopen dan ook het gevaar om door inteelt teveel ziekelijke eigenschappen te krijgen en zo verloren te gaan. Een voorbeeld uit de natuur van een gedegenereerd kattensoort is de cheeta. Cheeta's lijken genetisch heel erg op elkaar, wat het gevaar op uitsterven vergroot.
Er is bij micro-evolutie overigens geen sprake van evolutie in de zin, zoals Darwin die bedoeld heeft. Er ontstaan in dat proces namelijk helemaal geen nieuwe genen in de zin van evolutie. Als er al een "nieuw" gen ontstaat door mutatie, dan is dat altijd een verzwakking of een nutteloze verandering van een bestaand gen. Diverse aangeboren ziekten zijn het gevolg van defecte genen.


Cel-evolutie. In de vrije natuur komen aminozuren voor. Aminozuren zijn onderdelen van eiwitmoleculen en daarmee ook onderdelen van levende organismen. Nu veronderstellen evolutionisten2 dat in de "oersoep" aminozuren zijn ontstaan, vervolgens eiwitten en het voor het leven noodzakelijke DNA en daarna de eencellige levende wezens.
Probleem daarbij is dat de aminozuren in de vrije natuur in twee toestanden voorkomen, namelijk linksdraaiend en rechtsdraaiend. In eiwitten komen echter vrijwel uitsluitend linksdraaiende aminozuren voor. De overgang van aminozuren naar eiwitten is hiermee al helemaal onduidelijk. Maar de evolutie op celniveau heeft ook heel grote problemen.

Theoretisch bioloog Dr. H. van Waesberghe omschreef een aantal problemen t.a.v. evolutie van de cel in Intermediair:
Hoe men het ook wendt of keert, ons probleem is niet hoe het eerste biomolecuul ontstond, maar hoe de eerste cel ontstond. Terecht bekritiseren biologen de pure biochemici, die te weinig van de cel afweten...
In de oersoep is DNA niet houdbaar gedurende de miljoenen jaren, als dit niet door een membraan beschermd wordt. De levensduur van onbeschermd DNA is te schatten in uren, hooguit dagen. Tegenwoordig zoekt men meer naar het ontstaan van enkelstrengig RNA dan van dubbelstrengig DNA. Naakt RNA is echter even kwetsbaar voor destructieve milieu-invloeden als naakt DNA. Juist de miljoenen jaren, die het darwinistisch scenario toejuicht, zijn voor het RNA en DNA fataal.
Er bestaan naar schatting 2000 enzymen. Hoewel elke cel met minder rondkomt, is het toevallig ontstaan van zoveel enzymen op de juiste plaats, op de juiste tijd en in de juiste hoeveelheid niet meer geloofwaardig. Enzym en substraat passen op elkaar zoals de sleutel op het slot en de vinger in de handschoen...
Ten slotte, toeval is geen verklaring, maar het ontbreken van een natuurwetenschappelijke verklaring...
Op grond van deze en soortgelijke bezwaren hebben vakgenoten geen belangstelling meer voor het oersoepmodel, dat op de middelbare scholen nog steeds wordt onderwezen ... Volgens Yockey hebben wij geen flauw vermoeden hoe het leven ontstaan is, en het zou eerlijk zijn om dit te bekennen tegenover de financiers van wetenschappelijk onderzoek en tegenover het grote publiek.
3

Hoogleraar Han Zuilhof zegt hierover in een interview n.a.v. zijn oratie in het Nederlans Dagblad: In veel leerboeken staat eigenlijk dat we wel zo ongeveer weten hoe het leven is ontstaan. Maar dat weten we niet. De stelligheid waarmee dat facet van de evolutietheorie als feit wordt gepresenteerd, vooral in schoolboeken, is misplaatst. Ik maak wel eens een vergelijking met het alfabet. We kennen het alfabet als we het van a tot z kunnen opzeggen en gebruiken. Iemand die alleen de eerste drie letters kan opzeggen, weet ongeveer evenveel van het alfabet als een wetenschapper van het ontstaan van het leven. We weten heel weinig. Maar middelbare scholieren en studenten krijgen te horen dat we het wel weten.4

Er bestaan nog een aantal verkeerde aannames omtrent evolutie:

- Vogels zouden van dinosauriërs afstammen.
Een argument leek dat de voorpoot van een dinosaurus 3 "vingers" bevatte, evenals de vleugel van een vogel nu heeft. Nader onderzoek van die 3 vingers heeft echter aangetoond dat evolutie van dinosaurus naar vogel niet heeft plaats gevonden. De voorpoot van een dinosaurus heeft alleen nog maar de vingers, die overeenkomen met onze duim, wijsvinger en middelvinger, terwijl uit embryonaal onderzoek bij de vogel is geconstateerd dat de vlerk alleen nog maar bestaat uit wijs-, middel- en ringvinger, zie de tekening.

- Mensen zouden nu in twee generaties behoorlijk zijn geëvolueerd.
De veranderingen, die momenteel optreden in bepaalde gebieden, zoals het langer worden van mensen, zijn echter niet het gevolg van een genetische verandering in de mensen. Lengteverandering wordt veroorzaakt door een andere levenswijze, een andere voeding en betere omstandigheden voor de gezondheid.

- De recapitulatietheorie of 'biogenetische wet'. De Duitse bioloog Haeckel (1834-1919) heeft beweerd dat embryo's van gewervelden tijdens hun embryonale ontwikkeling alle stages van hun evolutie doorlopen. Zo zouden menselijkem embryo's in een vroeg stadium kieuwen ontwikkelen, maar dat is niet zo, weten we inmiddels. Ter ondersteuning van zijn theorie gebruikte Heackel foute, misleidende tekeningen. Haeckel's tekeningen leven in een gewijzigde vorm nog steeds voort in gezaghebbende werken en in lesboeken van middelbare scholieren van de 21e eeuw! M De Britse embryoloog dr. Michael Richardson (There is no highly conserved embryonic stage in the vertebrates)5 heeft echter aangetoond dat de tekeningen een foute weergave zijn van de werkelijkheid.

- Een orgaan dat verloren is gegaan t.g.v. evolutie, komt nooit meer terug d.m.v. evolutie.
Op zich is deze stelling waar, alleen de omschrijving is niet goed. Als een orgaan verloren is gegaan in volgende generaties, dan is er sprake van degeneratie, i.p.v. evolutie. En als dat orgaan niet meer terug kan worden geëvolueerd, dan is dat juist een bewijs tégen evolutie.


Bijbelse aanwijzingen: Een ander interessant bezwaar tegen de evolutietheorie is de beschrijving van een dinosaurus in de bijbel. Volgens de evolutietheorie was deze allang uitgestorven voordat de eerste mensen leefden. Maar als dat zo zou zijn, dan had Job hem nooit kunnen beschrijven. Bovendien zijn er afdrukken gevonden van mensenvoeten en poten van dinosauriërs naast elkaar. Andere aanwijzingen voor de historische waarde van de bijbel zijn te vinden in de Chinese tekens. Deze symbolentaal is ongeveer 4000 jaar oud. In deze taal (het Mandarijns) zijn gebeurtenissen als de zondvloed en de zondeval van Adam en Eva terug te vinden.


Een van de belangrijkste aspecten bij het onderzoek naar evolutie is natuurlijk de datering van de ouderdom van fossielen. Daartoe bestaan een aantal verschillende methoden. In het algemeen is er maar één methode, waarbij aan de hand van het fossiel zelf kan worden bepaald, hoe oud het fossiel is. Bij de andere methoden wordt de leeftijd van het fossiel bepaald aan de hand van de geschatte leeftijd van de aardlaag, waarin het fossiel gevonden werd.

De eerste methode is de leeftijdsbepaling van het fossiel m.b.v de C14-methode. Deze methode, in 1947 ontdekt door dr. W.F. Libby, is gebaseerd op het feit dat door kosmische straling er in de atmosfeer voortdurend een heel klein beetje stikstof wordt omgezet in radioactieve koolstof. Deze radioactieve koolstof wordt afgekort als C14, de atoomkern bestaat uit 6 protonen (dat is het kenmerk van koolstof) en 8 neutronen (vandaar het getal 14, naar het aantal kerndeeltjes).
Nu vervalt het koolstof-isotoop C14 na verloop van tijd tot het stabiele isotoop C12, dat niet radioactief is, en wel zo dat steeds na ongeveer 5.500 jaar (de halveringstijd of halfwaardetijd) de helft van het nog aanwezige moeder-isotoop C14 is omgezet in het dochter-isotoop C12. Bij dit proces komt lichte radioactieve straling vrij, die kan worden gemeten.
De C12 wordt in de atmosfeer gebonden aan zuurstof. In de atmosfeer bevindt zich dus gewone kooldioxide (CO2) en een beetje radioactieve C02. Deze worden allebei opgenomen door planten en komen zo verder in de voedselketen, zodat alle levende wezens ongeveer dezelfde verhouding C14/C12 hebben als in de atmosfeer. Wanneer een plant, dier of mens sterft, vermindert de hoeveelheid C14 in het stoffelijk overschot ook tot de helft in 5.500 jaar, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.

In formulevorm: laat V(t) de verhouding C14/C12 in een fossiel zijn met ouderdom t en halfwaardetijd h, dan geldt

V(t)=V(0) x 2-t/h

Na 79 jaar is de verhouding dan tot 99 % afgenomen, na 5.500 jaar tot 50 %, na 11.000 jaar tot 25 % en na 110.000 tot 0,0001 %, enz. Hierdoor is de C14-methode slechts bruikbaar voor fossielen van slechts enkele duizenden jaren oud.

Bij dit model wordt uitgegaan van een aantal voorwaarden:
1 De halfwaardetijd is onveranderlijk.
2 De hoeveelheid kosmische straling op onze atmosfeer is de afgelopen 30.000 jaar constant gebleven.
3 Er is een evenwicht tussen de vormingssnelheid en de afnamesnelheid (door verval en opname) van C14.
4 Er vindt geen uitwisseling van koolstof plaats tussen het stoffelijk overschot en de omgeving.

De aannames 1-3 zijn theoretische vooronderstellingen. Aan voorwaarde 4 wordt vaak niet voldaan, met name niet bij rotting of verstening, zodat uitkomsten dan minder betrouwbaar zijn.

Er zijn echter ook andere radioactieve "klokken", met een halveringstijd van vele miljoenen jaren i.p.v. de 5.500 van C14. Een paar voorbeelden zijn K40 (radioactief Kalium) dat na ruim 1 miljard jaar voor de helft overgaat in Ar40 (een stabiel Argon-isotoop) en Uranium-238 (U238) dat via allerlei tussen-isotopen heel langzaam wordt vervalt tot het stabiele lood-isotoop Pb206.

De vraag is nu of dit soort klokken bruikbaar zijn voor datering van fossielen. De gedachtegang is dat t.g.v. een vulkaanuitbarsting ergens gesteente wordt afgezet dat bijvoorbeeld zuiver K40 bevat en geen Ar40. Door nu de verhouding K40/Ar40 te meten, "weet" men de ouderdom van dit gesteente. Als die verhouding 1 : 3 is, dan is er nog 25 % van de oorspronkelijke K40 over en zou het gesteente ruim 2 miljard jaar oud zijn.
In werkelijkheid weten we echter niets over de samenstelling van het oorspronkelijke magma, zoals dat ter plekke is achtergebleven. Het enige wat we weten is de maximale ouderdom van het gesteente, de volkaan-uitbarsting kan best korter geleden hebben plaats gevonden. Het is namelijk mogelijk dat het magma toch een mengsel van K40 en Ar40 bevatte. Ook kan het gesteente toch wat Argon uit de atmosfeer hebben opgenomen. Als zich maar een fractie Argon in het gesteente bevindt, dan zal dit, wegens de hoge halfwaardetijd, bij jong gesteente resulteren in een veel te oude schatting van de leeftijd. Voor concrete voorbeelden van foutieve dateringen, klik
hier.

Prof. dr. W.J. Ouweneel schrijft hierover: Bovendien bestaan er niet veel gevallen waar onafhankelijke methoden gelijke ouderdommen voor een gesteentemonster opleverden. In talloze gevallen hebben ze juist zulke verschillende ouderdommen opgeleverd dat men de op grond van het evolutiemodel minst betrouwbare getallen opzij heeft geschoven. Trouwens, de verschillende radiometrische methoden zijn niet werkelijk onafhankelijk van elkaar, want de rubidum- en kaliummethoden worden juist geijkt met de uraniummethode. En al deze methoden samen worden uiteindelijk met de evolutionistische tijdschaal geijkt! Waar een uraniumresultaat niet klopt met de evolutionistische aardlagendatering, wordt het eerste genegeerd, niet het tweede.6

De meest gebruikte methode is de leeftijd van de aardlaag te dateren aan de hand van de ouderdom van de fossielen in die aardlaag. Alleen hebben we dan niet meer te maken met wetenschappelijke bewijzen, maar met een cirkelredenering in de theorie: het fossiel wordt gedateerd aan de hand van de ouderdom van de aardlaag en die aardlaag wordt gedateerd aan de hand van de leeftijd van de fossielen, die zich er in bevinden.
Bovendien, en dat is wetenschappelijk gezien ook kwalijk, worden fossielen, die niet passen in een aardlaag, genegeerd. Voorbeelden daarvan zijn paardfossielen in het Krijt (een aardlaag die hoort bij het Mesozoicum, het tijdperk van de reptielen), fossiel hout in het Cambrium (de aardlaag die correspondeert met de ongewervelde dieren en de eerste plantvorming) en de fossiele afdrukken van zowel mensen als dinosauriërs in kalksteenlagen.6

boomstam in Carboon
Een ander voorbeeld. Volgens de klassieke theorie heeft steenkool zich gevormd uit de resten van grote varens en andere planten, die groeiden in geweldige moerassen. Bij het zich steeds weer terugtrekken der zee zouden de verschillende steenkoollagen ontstaan zijn. Bovenstaande foto toont echter de onhoudbaarheid van deze theorie. Op de foto is een rechtopstaande boomstam uit het Carboon in Duitsland te zien. Deze boomstam had nooit rechtop kunnen staan in de verschillende steenkoollagen als deze lagen in verschillende tijdsperioden waren geformeerd. De enige afdoende verklaring voor de aanwezigheid van deze boomstam is dat al deze lagen tegelijk met de boomstam zijn versteend tot kolen. Er moet sprake zijn geweest van een enorme ramp zoals de zondvloed om dit te bewerkstelligen.


Kosmische evolutie. De evolutietheorie der sterren heet de Big Bang theorie. Volgens deze theorie zijn sterren miljarden jaren oud en en hebben ze miljoenen jaren nodig om zo fors van kleur te veranderen. Bij Sirius, de helderste ster aan het firmament, zijn er echter al waarnemingen die deze theorie falsificeren. Momenteel is de kleur blauwwit, maar 2000 geleden werd Sirius als een rode ster waargenomen en beschreven door o.a. Ptolemeüs in zijn Almanak (140 na Chr.). Dit probleem heet in de astronomie de red Sirius anomaly.


Bijna-doodervaringen: de mens heeft een geest. Er zijn mensen die een bijna-doodervaring hebben meegemaakt. Dat ging vaak gepaard met uittreding van hun geest/ziel uit hun lichaam. Soms eerst tot aan het plafond van de ziekenuiskamer. Zo beschrijft Howard Storm zijn bde: Terwijl ik de kamer rondkijk, zie ik dat er iets onder het laken op het bed ligt. Er is iets onder het laken, een lichaam. En dus buig ik over het bed heen om het gezicht te bekijken, het hoofd lag weggedraaid van mij en het leek op mij. Maar dat was toch niet mogelijk omdat ik hier sta, ik ben levend, ik voel me geweldig, weet je, ik bedoel, ik voel me meer dan geweldig, weet je. En zo probeerde ik om tegen mijn vrouw te spreken, maar zij kon me niet horen of zien. Ik dacht dat zij me negeerde. Dus werd ik heel boos op haar, omdat zij mij negeerde en niet naar mij keek. Dus gilde en schreeuwde ik naar haar, "Waarom ligt dit lichaam in bed, dat op mij lijkt? Hoe is het daar terecht gekomen, enz.?" Ik had een heimelijke verdenking dat het lichaam in bed van mij was, maar ik wilde daar niet aan denken omdat dat te eng was.7
Sommige mensen ervaarden zich in het helse dodenrijk, anderen zagen het hemels paradijs, maar mochten er nog niet binnengaan. Zelfs blindgeboren mensen kunnen zien tijdens hun bijna-doodervaring, zoals Vicki Umipeg, die op haar 22-e een BDE onderging. Aanvankelijk bekeek ze vanuit het plafond wat de medici met haar aan het doen waren. Later kwam ze zelfs tot het paradijs. Dit bewijst dat mensen uit meer bestaan dan alleen maar een lichaam. Mensen zijn geen chemische robots, maar hebben ook een geest, die kan zien vanaf posities, waar het lichaam zich niet bevindt, zelfs als ze blind geboren zijn. Dit is niet te verklaren vanuit een atheïstische evolutionistische visie.
Mensen hebben de neiging de negatieve bijna-doodervaringen snel te vergeten. Dr. Rawlings schrijft daarover: Het is belangrijk, mensen die gestorven zijn, onmiddellijk na hun resuscitatie te interviewen, wanneer zij nog steeds in moeilijkheden verkeren en om hulp roepen en voordat de ervaring kan worden vergeten of verzwegen. Deze vreemde negatieve ontmoetingen hebben zelfs een nog grotere invloed op hun toekomstig leven en hun opvattingen over de dood. Ik heb nog nooit een dergelijk persoon een agnosticus of een atheïst zien blijven.8
Ook de Nederlandse cardioloog Pim van Lommel geeft in zijn boek Eindeloos bewijstzijn voldoende voorbeelden, die duidelijk maken dat onze geest uit ons lichaam kan treden en dat ons bewustzijn dan ook uittreedt, en dat onze geest/bewustzijn blijft voortleven na de lichamelijke dood.9


Voor verdere argumenten tegen evolutie zie Creatie.info, Evolutie.EU, Dr. Dino en Creaton, Evolutie.blz, Schepping of Evolutie.
Voor een verdere discussie over evolutie of degeneratie is de homepage van Peter M. Scheele interessant om te bezoeken.


_________________________________________________________________

Conclusie.

Evolutie op macro-niveau is geen bewezen feit, maar een theorie, die zo uitgehold is dat deze niet meer te verifiëren is. De theorie is in feite een geloof, een persoonlijke aanname van mensen. Met geloof in evolutie als uitgangspunt proberen sommigen zich te ontdoen van de gedachte om straks rekenschap te moeten afleggen aan de Schepper van hemel en aarde. Dat is jammer, Paulus schreef hierover:
Want die mensen kunnen heel goed weten dat God er is. Hij heeft het hun Zelf bekendgemaakt. God is wel onzichtbaar, maar Zijn werk (alles wat Hij heeft geschapen) bewijst Zijn eeuwige kracht. Want sinds het ontstaan van de wereld is Zijn bestaan duidelijk te herkennen uit wat Hij gemaakt heeft. Daarom hebben de mensen geen enkele verontschuldiging. (Romeinen 1:19,20 - Het Boek/De Bijbel).

1) Christendom Onwijs - Uitgeverij Kok Voorhoeve - Kampen, 1996
2) S. Miller, A production of amino acids under possible primitive earth conditions. In: Science, vol. 117, pg 528, 15 mei 1953
3) Dr. H. van Waesberghe, Darwin achterhaald? Missing link en evolutie, Intermediair 44, 4 november 1988
4) Interview met prof. Han Zuilhof, "Wetenschap weet bijna niets van de oorsprong van het leven", Nederlands Dagblad, 23 mei 2008
5) Richardson, M.K., Hanken, J., Gooneratne, M. L., Pieau, C., Raynaud, A., Selwood, L. & Wright, G. M. (1997)
There is no highly conserved embryonic stage in the vertebrates, implications for current theories of evolution and development. Anatomy and Embryology 196, 91-06.
6) Prof. dr. W.J. Ouweneel, Het ontstaan van de wereld, Evangelische Omroep, 1980.
7) Naar de hel en terug., Dr. Rawlings Documentatie
8) Maurice Rawlings M.D., Op de drempel van de dood, Uitgeverij Helmond, 1978.
9) Pim van Lommel, Eindeloos bewustzijn, Uitgeverij Ten Have, 2007.

Terug naar Homepagina